Weldoeners, wezen en welzijn
Harderwijk, een stad die historisch gezien misschien snel geassocieerd wordt met handel, vooruitgang en rijkdom. Maar zoals elke stad kende Harderwijk ook harde kanten. Onrecht, ongelijkheid en armoede waren niet vreemd in het straatbeeld. Sommige Harderwijkers probeerden daar wat aan te doen, door in hun erfenis geld na te laten ten behoeve van de armere Harderwijkers.

In SuperNoVA kijken we naar een archiefstuk uit onze collectie. Ben je benieuwd naar de archieven die het Noord-Veluws Archief beheert? Kijk dan eens verder op www.noordveluwsarchief.nl!
Eén van die Harderwijkers was de priester Johan van Speulde, die in 1554 een houten kistje met 740 Hollandse gulden na liet aan de schepenen van de stad. Het geld moest gebruikt worden om een weeshuis op te richten. Andere rijke inwoners van de stad sloten aan met eigen giften en al snel werd een verwaarloosd gebouw opgeknapt en was het Burgerweeshuis een feit.
Opvang en onderwijs

Het weeshuis bleef afhankelijk van giften van gulle stadsbewoners, maar dat ging eeuwenlang min of meer goed. Af en toe sprong de stad bij om de verzorging van de wezen mogelijk te maken, maar de wezen, die meestal met 10 tot 20 tegelijk in het weeshuis woonden, konden lange tijd terecht in het weeshuis als elders geen thuis voor hen was.
In 1822 werd besloten om de werkzaamheden uit te breiden. Enkele bestuursleden van het weeshuis vormen samen met 2 leden van het stedelijk bestuur en 2 diakenen van de Hervormde Kerk het bestuur van de Diaconie- en Godshuisschool. In het archiefdepot van Harderwijk wordt daar een interessant boekje over bewaard, waarin onder andere de regelementen voor het bestuur van deze school nauwkeurig zijn opgetekend.
Voorwaarden en voorrechten
Maar misschien nog wel interessanter is het stuk van het boekje genaamd Mededeelingen omtrent de werkzaamheden van het fonds, een soort geschiedenis van de ontwikkeling van de school sinds 1822. Zo wordt beschreven hoe de school aanvankelijk bedoeld was voor kinderen uit de Hervormde Kerk, maar dat ook kinderen “van ouders, die tot andere Christelijke gezindten behooren en behoeftig zijn op de school zullen worden toegelaten”. Mits ze zich netjes gedragen. Kinderen van Hervormde huizen kregen echter wel voorrang.
Alle kinderen die tot de school werden toegelaten moesten gevaccineerd zijn of dat zo snel mogelijk laten doen. De kinderen die het best presteerden bij het jaarlijks openbaar examen kregen prijzen zoals bijbeltjes, gezangenboekjes of “andere nuttige werkjes”. Daarbij staat nog vermeld: kinderen van “den Roomschen Godsdienst” kregen boekjes die bij hun leerstelsel passen. Voor kinderen wiens ouders het schoolgeld niet konden betalen kwam een regeling, de school was immers bedoeld voor de armere uit de stad. In plaats van de vastgestelde 15 cent per week hoefden deze gezinnen maar 5 cent per week af te rekenen.

Uitbreiding
In 1850 was het wederom een erfenis van een weldoener die aanzet gaf tot de oprichting van een nieuwe instelling. De zeshonderd gulden uit de erfenis van de heer J.H. Pastor moesten ten goede komen aan de oprichting van een “klein-kinderbewaarschool”, een soort kleuterschool. In 1851 was de start van de school een feit, de eerste hoofdonderwijzeres, mejuffrouw P.E. Pierson, begon met een klas van 9 kinderen.
Overeenkomstig de wensen van de erflater werden op de bewaarschool alleen Hervormde kinderen toegelaten. De school breidde zich gedurende de jaren verder uit. Er werd een predikant in dienst genomen om de kinderen van godsdienstig onderwijs te voorzien, verschillende onderwijzeressen werden aangenomen en er werden extra lokalen bijgebouwd. De kinderen gingen vijf dagen per week naar school en hadden in het jaar vier weken vrij; een week rond Pasen en Kerst en twee weken in de zomer.
Gastvrijheid en leerplicht
Het historische overzicht eindigt bij het jaar 1890 met de mededeling dat is besloten alle kinderen tot de bewaarschool toe te laten, ongeacht hun kerkelijke gezindte. Sinds 1874 waren kinderen van Christelijke Gereformeerde huize al welkom, maar met dit besluit konden ook Joodse kinderen tot de school worden toegelaten.
De oprichting van beide scholen vond plaats ver voor de invoering van de leerplicht (1901) en de wetgeving op armenzorg (o.a. 1854 en 1870). Arme mensen waren afhankelijk van de hulp van anderen, zoals rijke stadsgenoten of de kerk. De scholen zijn een goed voorbeeld van liefdadigheid in een tijd waarin veel mensen een lastig bestaan leefden.
Zelf het boekje bekijken?
Dit is slechts een selectie uit de interessante informatie die in het boekje te vinden is. Wie meer wil weten kan het best zelf het boekje, of eigenlijk de kleine verzameling boekjes, lezen. Ze zijn gedigitaliseerd, de scans zijn te vinden op onze website in toegang 5004 (Burgerweeshuis Harderwijk), inventarisnummer toegang 5004 (Burgerweeshuis Harderwijk), inventarisnummer 741.
© Noord-Veluws Archief
Ontwerp & sitebeheer door DE REE in samenwerking met ForYou B.V. en Best4U