Redders in nood
Een koude decembernacht. Het water van de Zuiderzee klotst wild tegen de boot. Jantje houdt haar jongste kind stevig tegen zich aan, het meisje is nog maar een paar maanden oud. Als de wind niet snel gaat liggen zal het niet lang duren voordat de boot het begeeft. Jantje probeert niet te denken aan wat er dan met haar gezin zou gebeuren.

In SuperNoVA kijken we naar een archiefstuk uit onze collectie. Ben je benieuwd naar de archieven die het Noord-Veluws Archief beheert? Kijk dan eens verder op www.noordveluwsarchief.nl!
December 1900. Al weken was het niet boven de 10°C geweest. De hele maand stonden er berichten in de krant over andere landen waar de vorst reeds had ingezet en de scheepvaart werd belemmerd. In Nederland viel de vrieskou nog wel mee, maar er stond wel al weken een sterke wind. Niet de meest prettige omstandigheden om het water op te gaan, maar de familie Vredenborg had geen andere keuze. Voor hun levensonderhoud waren ze volledig afhankelijk van de inkomsten die ze ophaalden met het vervoeren van goederen.
Op weg
De familie Vredenborg bestond eind 1900 uit tien personen. Vader Hermannus, moeder Jantje en tien kinderen in de leeftijd van 0-19. Dochter Woltertje was nog maar vijf maanden oud toen de familie op 28 december aan boord stapte. De veertienjarige Jentje was op dat moment ziek, maar ging wel mee. Met z’n tienen voeren ze op een praam, een plat vaartuig met veel ruimte voor vracht. Tijdens deze reis was de boot volgeladen met hout en turf. Vanuit Smilde vertrokken ze naar hun woonplaats Muiden, om daar de spullen af te leveren.
Ramp & Redding
In de nacht van 28 op 29 december laaide de storm op. Tot overmaat van ramp begon het ook nog flink te regenen en hagelen. Ergens op de Zuiderzee tussen Harderwijk en Elburg raakte het schip, die de bijpassende naam de Zuiderzee droeg, lek. De bovenlast en de luiken werden door de storm weggeslagen. Ternauwernood lukte het de familie om over te stappen in een open roeibootje dat ze met een touw aan het schip vastmaakten.
De uren die volgden moeten vreselijk beangstigend zijn geweest. Zes uur lang dobberden ze op het wilde water, terwijl de storm om hen heen woedde. Vader Hermannus hield de golven nauwlettend in de gaten, zodat hij het touw kon laten vieren bij hoge golven en aanspannen bij rustiger water. Zijn oudste zoon, de negentienjarige Jan, hoosde ondertussen het water uit de boot. In de vroege ochtend, rond half acht, kwam eindelijk de hoognodige hulp. Twee broers, Rutger en Jacob de Graaf, lagen in de buurt voor anker met hun schuit. Terwijl de storm onverminderd door woedde hielpen ze het gezin aan boord van hun schuit, die daarbij enige schade opliep. Het gezin, met door de kou verstijfde ledenmaten, werd door de broers bij Elburg aan wal gebracht, wat toch nog een uur varen was. Onderweg werd alle spanning Hermannus te veel en viel hij flauw. Eenmaal aan wal werd het gezin opgevangen door betrokken Elburgers die hun droge kleren gaven en naar het ziekenhuis brachten.
Nazorg & nasleep
De praam was inmiddels gezonken, de volledige vracht was verloren gegaan. Omdat Hermannus niet verzekerd was werd er al snel een inzamelingsactie op touw gezet om het gezin, wat nu zonder inkomen zat, te helpen een nieuwe boot aan te schaffen. De gebroeders de Graaf probeerden na afloop nog een slaatje te slaan uit de situatie. Via de burgemeester van Bunschoten, de plaats waar ze woonden, probeerden ze een beloning los te peuteren voor hun daden. De burgemeester zag hier weinig reden voor, de broers waren immers tijdens hun actie niet zelf in levensgevaar geweest, maar stuurt toch maar een brief naar Elburg.”
De burgemeester van Elburg, Antonie Bas Backer, was in eerste instantie positief over de redders. Hij schreef een brief vol lof over de broers aan de minister van Binnenlandse Zaken en benadrukte dat ze beloond moesten worden voor hun daden. Later veranderde zijn mening. De havenmeester had de schade die de schuit van de broers had opgelopen bekeken en was van mening dat het “van weinig betekenis moet zijn geweest”. Daarnaast benoemde Bas Backer de geldende wetgeving over het helpen van drenkelingen. Het is maar goed dat de broers hadden geholpen, dat was immers hun plicht. Als ze niet te hulp waren geschoten waren ze waarschijnlijk gestraft voor hun nalatigheid.

Zelf de bronnen bekijken?
Informatie over de schipbreuk is terug te vinden in de correspondentie van de gemeente Elburg. Toegang 1004 Gemeentebestuur Elburg, 1812-1913, inventarisnummer 214 Ingekomen stukken 1901 jan-juni (brief 33, 39 en 51) en inventarisnummer 82 Register van uitgegane brieven 1900 dec – 1902 aug (brieven van 29 december 1900, 5 januari en 6 februari 1901). Wil je de stukken bekijken? Reserveer dan je bezoek via de website.
© Noord-Veluws Archief
Ontwerp & sitebeheer door DE REE in samenwerking met ForYou B.V. en Best4U